Onderzoek naar welzijn van hoogbegaafde volwassenen
Leven met het “geschenk” van hoogbegaafdheid: wat beschermt – en wat riskeert – het welzijn van hoogbegaafde volwassenen?
Hoogbegaafdheid wordt in het publieke debat vaak gezien als een buffer tegen psychische problemen – of juist als een bron van kwetsbaarheid. In werkelijkheid is het verband tussen hoogbegaafdheid en mentaal welzijn complexer. In deze Canadese exploratieve studie onderzochten Poirier, Brault-Labbé en Brassard (2025) het welzijn en de psychische gezondheid van 219 intellectueel hoogbegaafde volwassenen (IQ ≥ 98e percentiel), met bijzondere aandacht voor factoren die risico’s vergroten of juist beschermen.
Wat is nieuw aan deze studie?
In plaats van alleen te kijken naar “klachten” of “geluk”, hanteerden de auteurs een brede opvatting van welzijn, met zowel:
Hedonisch welzijn: levensvoldoening, positieve en negatieve affecten
Eudaimonisch welzijn: zingeving, existentiële crisis, en kwaliteit van interpersoonlijke verbindingen
Daarnaast werden zowel individuele factoren (bijv. gender, type hoogbegaafdheid) als omgevingsfactoren (bijv. inkomen, relaties, ervaren steun) onderzocht.
Relevante bevindingen voor de GGZ:
1) Twice-exceptionality = duidelijke risicofactor
Hoogbegaafde volwassenen met een bijkomende neurodivergentie (bijv. ADHD, autisme of leerstoornis) hadden bijna twee keer zoveel kans op een gediagnosticeerde psychische stoornis als hoogbegaafden zonder zo’n bijkomende diagnose. Er is dus extra alertheid nodig voor laat-herkende of gemaskeerde problematiek (bijv. ADHD dat “gecompenseerd” wordt door hoge intelligentie). En: behandeling moet zowel de hoogbegaafdheid als de neurodivergentie adresseren (niet één van beide).
2) “Hoogstbegaafd” op zich is géén risicofactor
Volwassenen die zichzelf als ‘hoogstbegaafd’ (≥ 99e percentiel) identificeerden, lieten geen slechtere mentale gezondheid of lager welzijn zien dan andere hoogbegaafden. Dit nuanceert het idee dat extreme intelligentie per definitie problematisch is.
3) Relaties doen ertoe – vooral huwelijk/civiel partnerschap
Gehuwde of samenwonende hoogbegaafden rapporteerden: hogere levensvoldoening, meer positieve emoties en betere kwaliteit van interpersoonlijke verbindingen. Belangrijk: het hebben van een eveneens hoogbegaafde partner maakte géén verschil. Het lijkt dus te gaan om kwaliteit van de relatie, niet om gedeelde begaafdheid.
4) Ervaren steun van familie beschermt
Meer ervaren steun van naasten hing samen met: hogere levensvoldoening, meer zingeving, en betere sociale verbinding. Werkgerelateerde steun had een zwakker, maar nog steeds positief verband met welzijn.
5) Laag inkomen = verhoogd risico op psychische stoornissen
Hoogbegaafden met een persoonlijk inkomen onder CAD 40.000 hadden een significant hoger risico op psychische diagnoses.
6) De sterkste beschermende factor: je potentieel kunnen realiseren
De meest robuuste voorspeller van welzijn was de subjectieve ervaring dat men zijn/haar intellectueel potentieel kan benutten. Dit hing samen met: meer levensvoldoening, meer positieve affecten, meer zingeving, minder negatieve emoties, minder existentiële crisis. Opvallend: objectieve markers zoals opleidingsniveau of inkomen waren hiervoor minder belangrijk dan de subjectieve beleving van zelfrealisatie.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Voor GGZ-hulpverleners die werken met (vermoedelijk) hoogbegaafde cliënten suggereren de auteurs onder meer:
Screen actief op twice-exceptionality
Overweeg differentiële diagnostiek: is er sprake van gemaskeerde ADHD, autisme of leerproblemen?
Neem zingeving serieus
Veel hoogbegaafde volwassenen worstelen minder met “klachten”, maar meer met existentiële vragen en betekenisgeving.
Vraag naar ervaren steun en relaties
Niet alleen individuele symptomen, maar ook relationele context is klinisch relevant.
Onderzoek belemmeringen in zelfrealisatie
Voelt de cliënt zich beperkt in werk, studie of levenstraject?
Wat staat de benutting van potentieel in de weg?
Wees alert op sociaal-economische kwetsbaarheid
Hoogbegaafdheid beschermt niet automatisch tegen armoede of psychische problematiek.
Conclusie
Hoogbegaafdheid op zichzelf voorspelt geen betere of slechtere mentale gezondheid. Wat wél uitmaakt, is een samenspel van neurodivergentie, relaties, socio-economische omstandigheden en – vooral – de ervaren mogelijkheid om het eigen potentieel te realiseren. Deze studie onderstreept dat hoogbegaafde volwassenen geen homogene groep zijn en dat gedifferentieerde, contextgevoelige zorg essentieel is.
Door: Rogier Poels