Terugblik congres Hoogbegaafdheid: een levenslange reis
Congres Hoogbegaafdheid: een levenslange reis - over ontwikkeling, welbevinden en de noodzaak van goede afstemming
Op 28 mei 2026 bezocht ik, Rogier Poels het congres Hoogbegaafdheid: een levenslange reis, georganiseerd door de RINO Groep. Vanuit mijn rol als voorzitter van het Landelijk Kennisnetwerk Psychiatrie en Hoogbegaafdheid keek ik met bijzondere belangstelling naar deze dag. Het congres sloot namelijk nauw aan bij een centrale opdracht van ons kennisnetwerk: het vergroten en verspreiden van kennis over hoogbegaafdheid binnen de psychiatrie, zodat diagnostiek en behandeling beter kunnen aansluiten bij deze doelgroep.
De titel van het congres was raak gekozen: hoogbegaafdheid als een levenslange reis. Hoogbegaafdheid dus niet als statisch kenmerk, niet als simpel IQ-label, maar als een ontwikkelingsprofiel dat zich ontvouwt in voortdurende wisselwerking met gezin, school, studie, werk, relaties en maatschappij. De congresbeschrijving benoemde hoogbegaafdheid dan ook expliciet als meer dan een hoog IQ: een complex ontwikkelingsprofiel dat in GGZ, onderwijs en jeugdzorg nog te vaak niet wordt herkend of verkeerd wordt begrepen, met risico op misdiagnoses, onderpresteren en psychische klachten. (RINO Groep)
Dagvoorzitter drs. Mia Frumau opende de dag met een brede blik op de levensloop in context. Zij plaatste het kind of de jongere met een hoog ontwikkelingspotentieel niet los van diens omgeving, maar juist midden in het samenspel van biologische, psychologische en sociale factoren. Daarmee werd meteen een belangrijke toon gezet: wie hoogbegaafdheid wil begrijpen, moet niet alleen kijken naar kenmerken van het individu, maar ook naar de mate waarin de omgeving aansluit, ruimte biedt, begrenst, spiegelt en uitdaagt.
Prof. dr. Steven Pfeiffer bracht vervolgens een internationaal perspectief in. Vanuit zijn lange loopbaan met hoogbegaafde en talentvolle kinderen en jongeren sprak hij over wat hij in meer dan veertig jaar werk heeft geleerd. Een belangrijk punt in zijn lezing was dat mentale gezondheid niet alleen gaat over de afwezigheid van klachten of diagnoses, maar ook over subjectief welbevinden. Juist bij hoogbegaafde kinderen en jongeren is dat onderscheid wezenlijk: iemand kan ogenschijnlijk goed functioneren, hoge prestaties leveren of symptoomarm zijn, en zich toch ongelukkig, vervreemd of onvoldoende verbonden voelen. Pfeiffer benadrukte daarnaast het belang van emotionele intelligentie, sociale vaardigheden en karaktersterktes: kwaliteiten die bijdragen aan veerkracht, empathie, verbondenheid en duurzame ontwikkeling.
Prof. dr. Anouke Bakx werkte het levensloopperspectief verder uit. Zij liet zien dat hoogbegaafdheid niet vanzelf leidt tot succes, geluk of passende ontwikkeling. Het gaat steeds om de “mesh” tussen persoonskenmerken en omgeving: de mate waarin het hoge ontwikkelingspotentieel werkelijk tot bloei kan komen. Daarbij kwamen verschillende levensfasen aan bod (gelardeerd met treffende korte filmpjes van hoogbegaafden van alle leeftijden), van vroege signalering en schooluitval tot vragen rond autonomie, zingeving en werk. Ook benoemde zij groepen die gemakkelijk over het hoofd worden gezien, zoals twice-exceptional kinderen, kinderen met een andere culturele achtergrond en kinderen die zich al vroeg sterk hebben aangepast aan hun omgeving.
Dr. Willy Peters bracht vervolgens de therapeutische praktijk dichtbij met een casus van een hoogbegaafde jongvolwassen vrouw. In zijn bijdrage werd voelbaar hoe klachten als somberheid, faalangst, perfectionisme en onzekerheid niet los te begrijpen zijn van thema’s als existentiële eenzaamheid, verlies, zelfkritiek en gebrek aan toekomstperspectief. Zijn eclectische werkwijze onderstreepte dat standaardprotocollen bij hoogbegaafde cliënten niet altijd vanzelfsprekend aansluiten. De term “goodness of fit” werd hier opnieuw belangrijk: niet alleen tussen cliënt en omgeving, maar ook tussen cliënt, therapeut, behandelvorm en tempo.
In de middag waren er verschillende verdiepingssessies. Niet alle workshops heb ik zelf kunnen bijwonen, maar het programma liet goed zien hoe breed het thema inmiddels benaderd wordt. Er waren bijdragen over de allervroegste ontwikkeling door Lilian van der Poel en Nuccia van der Poel, over risico’s op misdiagnoses door Esther Roelfsema (onze eigen oud-secretaris!), over schooluitval en over IQ-profielen door Fenne Frumau, over diversiteit en niet gezien worden door Sima Daoud en Bart Vogelaar, en over systeemtherapie bij gezinnen met kinderen met een hoog ontwikkelingspotentieel door Rianne van Damme. Juist die breedte maakte duidelijk dat hoogbegaafdheid niet thuishoort in één domein, maar vraagt om samenwerking tussen onderwijs, jeugdzorg, GGZ en wetenschap.
Zelf bezocht ik onder meer de workshop van Kirsten Copier over de therapeutische relatie als kompas. Deze sessie raakte aan iets wat in de behandeling van hoogbegaafde cliënten vaak cruciaal is: de kwaliteit van het contact. Hoogbegaafde cliënten denken vaak snel, voelen intens en hebben een scherp oog voor incongruentie. Dat maakt de therapeutische relatie enerzijds kwetsbaar, anderzijds buitengewoon betekenisvol. Copier werkte met het begrip “innerlijk kompas” en liet zien dat alliantiebarsten niet alleen problemen zijn, maar ook uitnodigingen: momenten waarop de relatie zelf onderwerp van gesprek mag worden. Dat vraagt moed, transparantie en echtheid van de therapeut. Ook de aandacht voor niet-verbale en experiëntiële werkvormen was waardevol, juist omdat hoogbegaafde cliënten soms sterk talig en cognitief kunnen zijn, terwijl wezenlijke verandering niet alleen via inzicht verloopt.
Daarnaast bezocht ik de workshop van Mia Frumau over de Dialoogtoolbox Goodness-of-Fit, ontwikkeld voor cliënten met een hoog ontwikkelingspotentieel. De werkbladen en kaarttools bieden een praktische ingang om met cliënten in gesprek te gaan over krachten, ontwikkelpunten, asynchrone ontwikkeling, omgevingsfit en kleine-t-trauma’s. Wat mij daarin aansprak, was dat de tools niet reduceren of diagnosticeren, maar zichtbaar maken. Ze helpen patronen te ordenen, ervaringen te verwoorden en de dialoog te verdiepen. Daarmee kunnen ze bijdragen aan zelfkennis, erkenning en een beter begrip van de wisselwerking tussen persoon en omgeving.
De centrale afsluiting door dr. Stijn Smeets gaf de dag op een intense manier reflectieve bedding. Hij verbond op poëtische wijze de verschillende lijnen niet alleen inhoudelijk, maar ook existentieel: wat betekent het om gezien te worden? Hoe verhoudt aanpassing zich tot authenticiteit? En wat vraagt het van ons als professionals om hoogbegaafdheid niet te versmallen tot talent, prestatie of probleem, maar te blijven kijken naar de mens in ontwikkeling? In de zaal kon je een speld horen vallen!
Voor mij was dit congres vooral waardevol omdat het hoogbegaafdheid stevig plaatste waar het hoort: in de volle breedte van de levensloop, in de context van relaties en systemen, en in nauwe verbinding met welbevinden, identiteit en behandeling. Voor GGZ-professionals ligt hier een duidelijke opdracht. We hebben kennis nodig, maar ook sensitiviteit. We hebben diagnostische scherpte nodig, maar ook relationele afstemming. En we hebben taal nodig voor de vaak subtiele mismatch tussen potentieel, klachten en omgeving.
Rogier Poels